Schoonheid en eenvoud

in de twee onderstaande opgaven is eenvoud en elegantie te ontdekken:

elektriciteitsleeropgaven vanaf eind derde klas

linkeropgave: hoe vind je de twee takstromen door 20 Ω en 30 Ω?

oplossing vraag a:

wat heb je nodig?

Antwoord: de eenvoudige wet van Ohm: U=I*R, die je telkens op drie manieren kunt gebruiken:

I=U/R, R=U/I en U=I*R afhankelijk van welke grootheid je wilt berekenen

 

je wordt nu gevraagd de twee takstromen door de weerstanden van 20 en 30 Ω uit te rekenen

 dat doe je in vijf stappen:

1. bereken de vervangingsweerstand van 20 en 30 Ω via 1/Rv=1/R1+1/R2

Opm: dat kan wat eleganter via: Rv= (R1*R2)/(R1+R2)

Rv is dus 20*30/(20+30)=600/50=12 Ω

2. bereken de takstroom door deze Rv via de knooppuntvergelijking: Itot=IR+Iv

Dat geeft: Iv= 0,81-0,36=0,45 A

3. Je berekent nu de spanning over Rv via U=R*I= 12*0,45=5,4 V

4. Je vindt de antwoorden I20=5,4/20=0,27 A en I30=5,4/30=0,18 A

5. Controle: I20+I30= 0,27+0,18+0,45=Iv

 

De oplossing van vraag b is nu heel simpel

R=5,4/0,36=15 Ω

 

Telkens blijkt: de oplossing vindt je door juist te kijken, juist te kiezen, de juiste doe-fase en door juiste controle.

 

Pas deze methode nu zelf toe op de rechteropgave: veel succes gewenst

Vriendelijke groeten, Fokke Oord