T-sleutel nr 19 en 20.
19. Ontbinden in factoren, haakjes maken. 20. Wat mag met vergelijking? a is een getal,
1. x2 + (a+b)x + a.b=(x+a)(x+b) en terug kennen 1. beide zijden: + a, −a.
som product: oefen met a.b=24 en -24 2. elk lid aan beide zijden: * a, /a
2. x2 + px= x(x+p) 3. ax2+ax+cx+c= (ax+c)(x+1) 3. niet: /0 (delen door nul).